Begin jaren '60 verliet Mark Insingel zijn ouderlijke woonst en trok hij naar een huis in de Zwanenlaan te Antwerpen, waar hij tot 1972 woonde. Daar besloot hij om de meer traditionele conventionele poëzie achter zich te laten en ontpopte hij zich tot een experimenteel dichter. Met Perpetuum mobile (1969), algemeen beschouwd als één van zijn beste bundels, hielp hij de visuele en concrete poëzie in het Nederlandse taalgebied te introduceren. Daarnaast profileerde hij zich ook internationaal en nam hij met zijn visuele gedichten deel aan tentoonstellingen in Amsterdam, Neurenberg, Stuttgart, Liverpool en Oxford.
Een belangrijke inspiratiebron voor de jonge Mark vormde zijn iets oudere huisvriend, de Vlaamse experimentele auteur Ivo Michiels. In een interview met Willem M. Roggeman uit 1975 drukte Mark Insingel zijn bewondering uit voor Michiels met wie hij zijn fascinatie voor ritme deelde: "Het ritme, denk ik, is een werkelijk integrerend deel van elke literaire tekst, zoals van elke andere vorm van taalgebruik. Maar ik denk dat er wel soorten ritme zijn. Het literaire is dan kunstmatig, en wel omwille van zijn opgelegde functionaliteit. In mijn geval staat het ten dienste van de 'lyricisering' (...). Bij Michiels steunt dat ritme dan weer op litanie" (uit Beroepsgeheim van Willem M. Roggeman).

