Joris van Severens "Manifest aan alle denkende menschen uit Vlaanderen"

Joris van Severen
Joris van Severen
Joris van Severen
Joris van Severen

Joris van Severen opent het eerste Ter Waarheid-nummer met een manifest (Manifest aan alle denkende menschen uit Vlaanderen) waarin hij de waarden toelicht die hij met zijn periodiek wil uitdragen. Hij begint zijn programmatische uiteenzetting met volgend citaat uit het Johannes-evangelie: “En de Waarheid zal U bevrijden. (JOH. VIII. 32.)” Dit citaat heeft een dubbele functie. In enge zin verwijst het naar de belangrijke rol van het katholicisme in het periodiek. In ruimere zin, wanneer men het citaat van zijn Bijbelse context ontdoet, is ook het mogelijk om dit ene vers te beschouwen als een soort samenvatting van de hele opzet van Ter Waarheid. Van Severen wil namelijk, zoals hij zelf in 1922 in een brief vermeldt, “midden in de vreselijke herrie in Vlaanderen […] een geconcentreerd beeld [geven] van het zoeken der loopgravengeneratie, naar Waarheid en orde”. 

 

Die ‘Waarheid’ is weliswaar op “Christus’ leer” gestoeld, maar omvat ook de idee van universalisme, Vlaams-nationalisme en pacifisme. In zijn Manifest erkent Van Severen dat mensen in volksgemeenschappen leven (“Alle menschen zijn broeders” en “Alle volkeren moeten zich vereenigen in een algemene volkerengemeenschap”), maar terzelfdertijd houdt hij ook een pleidooi voor het Vlaams-nationalisme en de zelfstandigheid van Vlaanderen (“Wij zijn Vlamingen en eerst naar onze naaste broeders, de Vlamingen, roept onze stem” en “Er leeft een Vlaamsche volk. Dat Vlaamsche volk moet kost wat kost staatszelfstandigheid bezitten”). Naast deze idee van universalisme en Vlaams-nationalisme, legt Van Severen ook de nadruk op het pacifisme en verwerpt hij “alle imperialisme en zijn trawanten, geldmisbruik, pseudo-vaderlandsliefde, persdwang, het doodelijk volksvergift: militarisme, en alle kwakzalverij”.

Doorheen Van Severens programmatische uiteenzetting schemert een zeker idealisme. Zo gelooft hij bijvoorbeeld in de kunst als “kracht die schoonheid openbaart” en op die manier de ziel van de mens zuivert totdat die zelf tot schoonheid wordt. Via de kunst wil hij mensen naar hun grootheid oproepen en hen van hun samenhorigheidsgevoel bewust maken. Zijn doel is om in “de groezelige doodskamer die nu de wereld is […] deuren en vensters wijd [open te rukken] en er ’t kletterende licht van ‘t  […] in schoonheid opgloorende leven [binnen te jagen]”. Met andere woorden: weer licht te brengen in de door de oorlog getekende maatschappij. Aan het einde van zijn Manifest beklemtoont Van Severen “rechtvaardigheid voor ieder mensch” en hij verwerpt het bestaan van een klassenmaatschappij. Met het Bijbelcitaat “Bemint uwen evennaaste gelijk u zelf” en het woord “LIEFDE” sluit hij zijn idealistische betoog af.

Opvallend is dat Van Severen in zijn Manifest nergens expliciet het humanitair-expressionisme vermeldt. Toch is deze literaire stroming in het tijdschrift aanwezig. Het humanitair-expressionisme is namelijk meerdere keren het onderwerp van literaire essays en bovendien zijn sommige gedichten duidelijk door deze stroming beïnvloed. De waarden die door Van Severen uitgedragen worden (broederlijkheid, universele verbondenheid, pacifisme, nationalisme, evangelische bezieling…) vormen de thema’s die het humanitair-expressionisme kenmerkt. In wat volgt, onderzoek ik in welke mate deze gepropageerde waarden ook in de gedichten van Wies Moens, Reinier Ysabie, Urbain van de Voorde en Achilles Mussche doorschemeren.