Poëzie van Wies Moens

Een van de belangrijkste redactieleden van Ter Waarheid is Wies Moens. Deze Vlaamsgezinde dichter wordt na de oorlog vanwege zijn activisme aangehouden en op zijn proces in 1920 tot vier jaar gevangenschap veroordeeld. In maart 1921 wordt Moens echter vervroegd in vrijheid gesteld. Zijn medewerking aan Ter Waarheid -hij schreef reeds vanuit zijn cel- kan hij dan ongestoord verderzetten. Moens levert aan het tijdschrift allerlei literaire bijdragen zoals gedichten, boekbesprekingen en artikelen over letterkunde. Wie zijn gedichten leest, merkt vrijwel onmiddellijk dat ze sterk door het humanitair-expressionisme beïnvloed zijn. Tijdens een congreslezing over “het nieuwe dichten” die hij in 1922 in Brugge heeft gehouden, pleit hij voor een poëzie met associatieve beelden en een dynamische vrije versvorm. Bovendien moet de moderne dichter zijn als een “mensch, levend onder de menschen”, iemand die zich niet meer tussen “vast-afgebakende grenzen”, maar zich in de wereld beweegt. De moderne poëzie is “poëzie die meeleeft met het volk en dus ook door het volk kan meegeleefd [worden]”.

 

Wies Moens
Wies Moens
Wies Moens

Een thema dat vaak in Moens’ poëzie aan bod komt, is het leven van de volksgemeenschap. Hij verwerkt in zijn gedichten allerlei beelden uit de stad: de mensen die er wonen, de huizen en pleinen, de ‘reklamen’, de ‘trems’, de ‘nachtmarsjman’, het ‘armemensekwartier’… Dat is ook het geval in Envoi en  Een mei, twee van de vele gedichten die in Ter Waarheid opgenomen zijn. Beide gedichten behoren duidelijk tot het humanitair-expressionisme: met hun associatieve beeldentaal en hun vrije versvorm staan ze in schril contrast met de klassieke poëzie die gekenmerkt wordt door een strakke structuur en een strikt rijmpatroon.

Leven en werk zijn bij Moens hecht met elkaar verbonden. Ook Envoi kan gelezen worden als een autobiografische getuigenis. De thematiek van het gedicht sluit namelijk nauw aan bij Moens’ gevangeniservaring: een gevangene wordt vrijgelaten en komt weer in de buitenwereld terecht (“nog moet ik herinneren hoe dit was: / het opengaan der gevangenispoort”). Het lyrische ik beschrijft het vervreemdend gevoel dat hem bevangt en vergelijkt zichzelf met een luchtreiziger die de huizen en pleinen op zich af ziet komen. Met betrekking tot het gedachtegoed van Ter Waarheid is vooral de universele broederliefde expliciet in het gedicht aanwezig. Envoi begint met een apostrof, een aanspreking die tot iedereen gericht is, gaande van een ‘kameraad’ die dichtbij is tot een ‘balling’ onder de tropezon: “O mijn geliefden, allen, / gij die dicht zijt en gij die ver”. Bovendien verwijst de ik-figuur verder in het gedicht naar de gemeenschappelijke afkomst van ieder mens. Iedereen ontwikkelt zich namelijk tot baby in de buik van zijn/haar moeder: “Mijn geliefden / Wij komen allen / uit de liefderijke gevangenis van ene moeder, / des wil ik u smeken / dat wij breken / elke andere gevangenis in ons en buiten ons”. Ook de vele herhalingen van ‘allen’ en ‘mijn geliefden’ doorheen het gedicht duiden op de idee van universele broederliefde.

In 1923 zet Moens zijn medewerking aan Ter Waarheid stop, omdat er volgens hem een tekort is aan originele bijdragen en te weinig aandacht wordt besteed aan Nederland. In datzelfde jaar richt Moens een eigen tijdschrift op, Pogen, een periodiek dat sterk aansluit bij de ideeën die in Ter Waarheid uitgedragen worden.